img_8369

 

Het paard (Equus caballus) is een onevenhoevig hoefdier uit de familie der paardachtigen. Onevenhoevig wil zeggen dat het paard een oneven aantal 'tenen' heeft aan elke voet. Dit in tegenstelling tot de evenhoevigen zoals het varken en het rund. Andere vertegenwoordigers van de paardachtigen zijn bijvoorbeeld de ezel en de zebra.

Paarden zijn planteneters (herbivoren) en gebruiken hun voortanden om gras mee af te grazen wat vervolgens door de kiezen vermalen wordt. Het paard is hierbij veel kieskeurig en voorzichtiger dan bijvoorbeeld het rund zodat een paard zelden iets opeet wat niet voor hem bedoeld is. Het paard heeft zes snijtanden, zes premolaren en zes molaren waarbij de hengst ook nog twee hoektanden heeft.

Zowel het gehoor als de reuk zijn bij het paard bijzonder goed ontwikkeld en de stand van de ogen zorgt er voor dat een gezichtsveld van bijna 360 graden bereikt wordt. Samen met de grote snelheid (tot wel 60 km/uur) die het paard kan ontwikkelen zijn dit belangrijke eigenschappen voor een, van origine, vluchtdier. De hoef van het paard is in feite de (vergrote) nagel van de middelste teen. De overige 4 tenen zijn klein en slechts als rudiment (overblijfsel) aanwezig: aan weerszijden van deze teen zijn griffelbeentjes aanwezig (teen II en IV; wijsvinger en ringvinger), aan de binnenzijde van het been is de de zwilwrat (teen I; de duim) aanwezig en het spoortje is teen V (de pink).

In het wild leven paarden in kuddeverband. De kudde telt ongeveer 12 volwassen merries met veulen en enkele hengsten. De kudde wordt geleid door een oudere merrie. Het merendeel van de jongvolwassen hengsten verlaat de kudde en komen in zogenaamde hengstenkuddes terecht.

De draagtijd van het paard is ongeveer 11 - 12 maanden met een gemiddelde van 337 dagen. De bevalling van een veulen gaat vaak erg snel en ook de nageboorte komt binnen 1 uur af. Het veulen kan binnen enkele uren na de geboorte al mee met de kudde. Dit is uiteraard van belang voor een vluchtdier. De gemiddelde levensduur is 20 jaar (het record staat op 46 jaar). Het paard heeft drie manieren op zich voort te bewegen ('gangen'): de stap, de draf en de galop. Minder voorkomende gangen zijn de telgang en de tölt.

Door intensieve fokkerij zijn er diverse rassen ontstaan die erg verschillen van grootte, kleur, bouw en vacht. Zo heeft het kleinste paardenras, de falabella, een schofthoogte van slechts 60 cm, en het grootste ras, de Shire, een schofthoogte van bijna 2 meter. (Het record is de 19e eeuwse Shire Sampson met een schofthoogte van 219 cm bij 1524 kilogram!). Bekende rassen zijn de arabier, de Lipizzaner en het belgisch trekpaard. Bekende nederlandse rassen zijn het de Fries en het Groninger paard. Het verschil tussen een pony en een paard wordt bepaald door de schofthoogte; tot 1.48 meter is het een pony, tussen 1.48 en 1.57 meter een E-pony (of klein paard) en vanaf 1.57 meter is het een paard. Ook deze indeling kent zijn uitzonderingen; zo spreekt met van het fjordenpaard en valt ook de falabella onder de paarden terwijl de schofthoogte niet boven de 1.57 meter uitkomt.

Het enige echte wilde paardenras is het Przewalskipaard uit Mongolië dat in 1881 werd ontdekt door de russische officier Przewalski. In 1960 was dit ras alleen nog te bewonderen in dierentuinen. Gelukkig is door een intensief fokprogramma het aantal dieren fors toegenomen en in 1990 weer uitgezet in het oorspronkelijke leefgebied. Het europese wilde paard de tarpan is reeds uitgestorven.

Alle andere verwilderde paarden stammen af van gedomesticeerde (tot huisdier gemaakte) paarden. Voorbeelden zijn de Amerikaanse mustangs, de brumpies in Australië en in Europa de Camarque-paarden en de konik-paarden.