De longworm (Dictyocaulis arnfieldi) is een 2.5 tot 8 cm grote worm die in bronchiën en longen leeft van paardachtigen. In Amerika is de longworm wijd verspreid, in Nederland speelt hij geen grote rol en wordt de longworm voornamelijk gezien bij paarden die met ezels geweid worden. Ezels zijn niet ziek maar scheiden wel de longwormeitjes en -larven uit die het paard wel ziek kunnen maken.

Levenscyclus

Infectieuze larven worden tijdens het grazen opgenomen. De larven penetreren de darmwand en verplaatsen zich naar locale lymfeknopen waar de larf vervelt. Deze larven migreren verder tot in de long waar zij zich in de longcellen (de alveoli) ontwikkelen tot volwassen wormen. De volwassen wormen leggen eitjes waarin zich reeds een larfje bevindt en deze worden opgehoest en doorgeslikt zodat zij in de darm terechtkomen. Eitjes en larven van het eerste stadium komen met de mest op het land en vervellen twee keer voordat zij infectieuze larven worden.

Symptomen

Bovenstaande levenscyclus vindt voornamelijk plaats in ezels en veulens waarbij zij zelden klinische klachten vertonen. Dit in tegenstelling tot volwassen paarden waar de cyclus niet geheel afgemaakt wordt waardoor er wel klinische klachten zijn, maar geen eitjes worden geproduceerd. De symptomen ontstaan door een bronchitis ten gevolge van irritatie door de larven en volwassen wormen. Ernstig hoesten, benauwdheid, gebrek aan eetlust en de produktie van veel slijm zijn de meest voorkomende symptomen. In ernstigere gevallen kan secundair een bacteriële longontsteking als complicatie optreden.